Wie, net als ik, al jaren voor de klas staat, herkent het waarschijnlijk meteen: in de media gaat het steeds vaker over dalende schoolprestaties. Krantenkoppen als 'Lezen, schrijven en rekenen hollen achteruit' en 'Eén op de drie 15-jarige leerlingen in Nederland heeft onvoldoende leesvaardigheid' zijn natuurlijk ook niet positief. De roep om meer aandacht voor de basisvaardigheden klinkt steeds luider. Wij, de leerkrachten die dagelijks voor de klas staan en ons inzetten voor goed onderwijs, worden achtervolgt door deze negatieve berichten. De druk om betere scores te halen op lezen, taalverzorging en rekenen is dan ook groot. Dit zijn overigens precies de wettelijk verplichte onderdelen die getoetst worden in de doorstroomtoets. Een school mag ook andere onderdelen toetsen, maar dit gebeurt nauwelijks. Wat kinderen leren over een vak als wereldoriëntatie, lijkt ondergeschikt te zijn aan de basisvaardigheden. En dat roept bij mij een zekere irritatie op.
Het belang van wereldoriëntatie
Iedere basisschool in Nederland is verplicht om aandacht te besteden aan "Oriëntatie op jezelf en de wereld" en dit gebeurt meestal binnen het vak wereldoriëntatie. De wettelijke kaders zijn vastgelegd in de kerndoelen, maar hoe inhoud hieraan wordt gegeven, mag iedere school zelf bepalen. Bovendien zijn de kerndoelen geformuleerd als inspanningseis. Dit wil zeggen dat scholen ervoor moeten zorgen dat de leerlingen in aanraking komen met de leerinhouden, maar niet wat de leerlingen precies moeten weten of kunnen. Bovendien hebben scholen de vrijheid om te zelf te bepalen hoe ze de leerlingen deze leerinhouden aanbieden en welke tijd ze hieraan besteden. Zo zijn er scholen die geschiedenis, aardrijkskunde en natuur en techniek als losse vakken aanbieden vanaf groep 5, zijn er scholen die kiezen voor vak geïntegreerd onderwijs vanaf groep 1 en zijn er scholen die projectmatig werken waardoor de vakken niet eens een vaste plek op het lesrooster innemen. Dat wereldoriëntatie niet wordt getoetst, kan tot gevolg kan hebben dat wereldoriëntatie als vak in de verdrukking komt, door de toenemende druk om beter te presenteren op vakken als taal en rekenen. Zonde, want juist wereldoriëntatie draagt bij aan een brede ontwikkeling.
In mei 2025 presenteerde de onderwijsinspectie de resultaten van een onderzoek naar de prestaties van leerlingen uit groep 8 in de vakken aardrijkskunde en geschiedenis. Niet heel verrassend blijken ook deze prestaties flink achteruit gegaan te zijn, in vergelijking tot het vorige onderzoek uit 2008. Uit een ander onderzoek is gebleken dat kennis van de wereld juist van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van basisvaardigheden als taal en rekenen. Wie meer achtergrondkennis heeft, is bijvoorbeeld beter in staat een tekst te begrijpen. De onderwijsinspectie geeft dan ook de aanbeveling dat de wereld oriënterende vakken veel meer samengevoegd moeten worden met andere vakken, waardoor deze elkaar kunnen versterken in plaats elkaar te verdringen van het lesrooster.
Ik ben geen onderzoeken, maar we lijken in een soort vicieuze cirkel beland te zijn: door teruglopende presentaties, is de druk om goed taal- en rekenonderwijs te verzorgen toegenomen, waardoor de wereld oriënterende vakken in de verdrukking zijn gekomen. De methodemakers hebben daarop hun teksten in de geschiedenis- en aardrijkskunde boeken steeds korter en simpeler gemaakt, waardoor leerlingen minder leerinhouden aangeboden krijgen. Tel daarbij op dat leerkrachten minder tijd aan de wereld oriënterende vakken besteden door de toegenomen druk op de basisvaardigheden, waardoor de achtergrondkennis afneemt, met als gevolg dat leerlingen minder goed presteren op begrijpend lezen. De cirkel is rond.
De nieuwe kerndoelen
In de nieuwe nieuwe kerndoelen zoals gepubliceerd door het SLO in februari 2026, wordt heel het geschiedenisonderwijs samengevat in kerndoel 27 van het domein Mens en Tijd: leerlingen verkennen historische verschijnselen:
- 27A De leerling beschrijft historische ontwikkelingen aan de hand van gebeurtenissen, personen en voorwerpen.
- 27B De leerling redeneert over historische ontwikkelingen met gebruik van tijdsaanduidingen en bronnen.
- 27C De leerling legt verbanden tussen historische ontwikkelingen en gebeurtenissen in het heden en verkent betekenissen die mensen geven aan het verleden.
Om deze doelen te bereiken, moeten leerlingen historisch tijdsbesef ontwikkelen. Historisch tijdsbesef is het vermogen om gebeurtenissen, ontwikkelingen en personen in de chronologische volgorde en context te plaatsen, waarbij leerlingen begrijpen dat de wereld vroeger anders was dan nu en dat er een voortdurend proces plaatsvindt van continuïteit en verandering. En voor mij begint het ontwikkelen van historisch tijdsbesef bij een stukje verwondering over het verleden.
Maar nu denk je waarschijnlijk: geschiedenis geven aan het jonge kind? Er heerst ergens nog altijd de overtuiging dat het onderwijs aan het jonge kind vooral moet aansluiten bij de directe dagelijkse belevingswereld van het kind en dat begrippen als vroeger en lang geleden te abstract zijn voor kinderen, die eigenlijk nog geen tijdsbesef hebben ontwikkeld. Lang bestond de overtuiging dat kinderen eerst hun dagelijks tijdbesef moesten ontwikkelen, voor ze het historisch tijdbesef konden ontwikkelen, Dit idee is echter achterhaald. De ontwikkeling van het historisch tijdsbesef is niet afhankelijk van de ontwikkeling van het dagelijks tijdsbesef, waarin de klok, dagen de week en de seizoenen een rol spelen. Bij het historisch tijdsbesef gaat het om het inzichtelijk maken van ontwikkelingen, processen en veranderen in historische periodes (zie het artikel van Kennisrotonde). Dit historisch tijdsbesef ontwikkelen kinderen niet vanzelf. Dit moet gestimuleerd worden en dat kan al vanaf groep 1.
Historisch tijdsbesef stimuleren
De Nederlandse geschiedenis is ingedeeld in tien tijdvakken, maar bij het jonge kind kun je nog uitgaan van tijdsaanduidingen als het langst geleden, heel lang geleden, lang geleden en nu, waarbij het helpend is een tijdbalk te gebruiken, waaraan afbeeldingen toegevoegd kunnen worden. Denk hierbij vooral aan foto's of prenten van kleding, huisvesting, vervoersmiddelen en gebruiksvoorwerpen. Kinderen kunnen afbeeldingen al goed op chronologische volgorde plaatsen, door deze met elkaar te vergelijken. In groep 3 is het ook een leuke activiteit om kinderen samen een venndiagram te laten maken, waarin ze verschillen en overeenkomsten noteren tussen een prent zoals hiernaast afgebeeld en hun eigen leven: bijvoorbeeld vroeger liepen de kinderen op klompen, nu dragen we sneakers, maar we springen nog altijd touwtje.
Een andere leuke activiteit die zowel mondelinge interactie tussen de kinderen, als het creatief denkvermogen en de ontwikkeling van het historische tijdsbesef stimuleert, is het aanbieden van afbeeldingen of voorwerpen die juist niet herkenbaar zijn uit de eigen leefwereld. Denk bijvoorbeeld aan foto's van verdwenen beroepen of ouderwetse voorwerpen met de open vraag: "Wat zie je?" Een cassette bandje, floppy disk, draaischijftelefoon of koffiemolen zijn waarschijnlijk redelijk makkelijk te verzamelen, maar voor de meeste kinderen onbekend. De kinderen kunnen raden waar de voorwerpen voor gebruikt werden (of wat de verdwenen beroepen zijn) en leren zo dat in de loop der tijd dingen veranderen. Zo groeit ook het besef dat de toekomst niet gelijk zal zijn aan het nu. De grootste meerwaarde van het jong stimuleren is van het historisch tijdsbesef, is het vergroten van de voorkennis van de leerlingen, waardoor zij in latere leerjaren veel profijt van hebben. Niet alleen op het gebied van wereldoriëntatie, maar op op alle gebieden.
Gelukkig zijn er een hoop prentenboeken op de markt die jonge kinderen op een laagdrempelige manier kennis laten maken met de geschiedenis en het historisch tijdsbesef helpt ontwikkeling. Vanuit een prentenboek is het leuk om een thema verder uit te werken op een informatiemuur, waarbij je actief kunt werken aan de uitbreiding van de woordenschat. Bij nieuwe woorden is het altijd fijn om deze visueel te maken voor kinderen door woordkaarten te gebruiken. Binnen het netwerk van nieuwe woorden, kun je ook de verbanden tussen de woorden duiden door woorden in groepjes bij elkaar te plaatsen of pijlen te gebruiken bij woorden die invloed op elkaar hebben. En denk ook aan het gebruik van niet-zelfstandige naamwoorden. (Bijvoorbeeld het woord beschermen: Een ophaalbrug over de slotgracht van het kasteel helpt de mensen in het kasteel te beschermen tegen indringers, zoals een harnas, helm en schild een ridder beschermt tegen het zwaard van de tegenstander in een riddertoernooi. Dit kun je doortrekken naar de huidige tijd, waarin een kind beschermt wordt tegen kou met een winterjas en tegen een ongeluk met een autogordel of een fietshelm.)
Gelukkig zijn er een hoop leuke prentenboeken te krijgen die kinderen helpen bij het ontwikkeling van historisch tijdsbesef. Hier een "tijdlijn" aan prentenboeken die ik graag gebruik in groep 3:
De serie Stoere Steffie bestaat uit leesboekjes op Avi E4 niveau, maar deze erg leuk om in groep 3 voor te lezen:
Ik hoop je met dit blog enigszins geïnspireerd te hebben om wat vaker geschiedenis te geven aan het jonge kind. Mijn ervaring is dat de kinderen erg enthousiast worden van een thema als De Prehistorie, Het Oude Egypte of de Middeleeuwen, maar zelfs als dat er niet in zit, hoop ik dat je af en toe zult kiezen voor een prentenboek over de geschiedenis, omdat het de kinderen zoveel meer brengt voor hun ontwikkeling, dan alleen een leuk verhaal.
De herkomst van afmelding met de spelende kinderen is mijn onbekend.
Reactie plaatsen
Reacties